Landelijke Werkgroep Kerkelijke Gemeentecontacten
Nederland - Hongarije en Roemenië

welkom   |   werkgroep   |   gemeentecontacten   |   ontmoetingsdag  |   liederen   |   archief   |   home

Ontmoetingsdag 2013 te Bunnik

Lezing Juhasz

De Hervormde kerk in Transsylvanië (Roemenië)


Ik zal over drie vragen spreken (een „goede” Hervormde preek heeft ook drie delen).

1. De eerste is de algemene politieke situatie. Wat gebeurt er momenteel met de Hongaren in Transsylvanië? In dit verband zal ik ook spreken over de Roemeense – Hongaarse verhouding en over de Orthodoxe – Hervormde verhouding.

2. De tweede is het huidige beeld van kerk en theologie. In dat kader licht ik twee thema’s eruit: de bisschopsverkiezing en het jubileum van de Heidelbergse Catechismus.

3. De derde is de vraag met betrekking tot de partnercontacten.

 

1. De algemene politieke situatie

a) De mislukking van de politieke en de economische omwenteling.

De bevrijding van 1989 in Roemenie is in de eerste 10-15 jaren als een grote illusie ontmaskerd. Dat is algemeen bekend. Maar in de laatste 5-6 jaren heeft ook de economische wending – ik bedoel de Europese Unie – geen werkelijke progressie gebracht. Vóór de aansluiting wachtte iedereen op vrijheid van reizen, vrije arbeidsmarkt, betere structuren enz. In plaats van deze verbetering van de levensomstandigheden kregen alle mensen in Roemenië een groter, rijker aanbod van consumptiegoederen, die niet levensnoodzakelijk zijn. Maar toch loopt de hele wereld naar de winkelcentra en shopping-malls. Ze gebruiken niet alleen de afgedragen kleren van Westerse medemensen, maar ook hun „afgedragen” oude auto’s.

Maar er bestaat niet alleen consumentisme in Roemenië. Veel Roemeense onderdanen hebben van de EU niet alleen consumptieproducten, maar ook een betere arbeidsplaats, een grotere woning, het oprichten van een kleine zaak enz. verwacht. Maar de „goede” arbeidsplaatsen zijn na enkele jaren uit Roemenie naar Bessarabië of Kazachstan verhuisd, het eigen huis of de kleine zaak is bankroet gegaan, vanwege de hoge rente die niet terugbetaald kan worden. Meer dan 3 miljoen mensen zijn in de laatste 6 jaar uit het land vertrokken om hun geluk in westerse landen te zoeken. Misschien zijn daar de inkomsten beter, maar families gaan kapot: oudere mensen blijven thuis zonder verzorging, net zoals vaak ook kinderen, omdat beide ouders in Italië of Spanje werken. Aan de theologische universiteit in Kolozsvár studeren 130 jonge mensen. 30% van hen heeft gedragsproblemen, omdat ze meerdere jaren lang zonder vader of zonder moeder of überhaupt zonder ouders zijn geweest.

b) Er bestaat nog een probleem verbonden met de mislukking van de wending: Het cultureel-ethische (morele) falen.

De meeste mensen in Roemenië – tenminste in Transsylvanië – leven niet meer in echte armoede. Maar ze weten niet wat genoeg is. Zo ontstaat valse hoop of wanhoop - dus niet alleen vanwege de slechte omstandigheden, maar vooral vanwege de menselijke machteloosheid, het valse bewustzijn en vanwege het ongeloof. Tegen het „carnaval” van het consumentisme is het niet genoeg om mensen „vasten” te verkondigen. Het zou beter geweest zijn als onze mensen hadden geleerd om burgerlijk te leven, in geordende solide maatschappelijke structuren, hard te werken en te sparen.

c) De Hongaarse minderheid

Als wij over minderheid spreken, moeten wij denken aan Deut 7,7–8: Het is niet omdat u talrijker was dan de andere volken dat hij u lief kreeg en uitkoos – u was het kleinste van allemaal! Maar omdat hij u liefhad en zich wilde houden aan wat hij uw voorouders onder ede had beloofd, heeft de HEER u met sterke hand bevrijd uit de slavernij. Minderheid-zijn kan dus ook een zegen zijn: teken van liefde van God. In de alledaagse praktijk moet maar een minderheidsgroep hard en lang zoeken, en dit “teken” soms ook … niet vinden ...

De grootste bedreiging voor een etnische minderheid is assimilatie. Er vindt ook een natuurlijke assimilatie plaats (in de diaspora, door gemengde huwelijken tussen Hongaren en Roemenen), maar onze bedreiging is de politiek gemanipuleerde assimilatie. Na de Eerste Wereldoorlog kwam het tot een imperiumwissel. Transsylvanië viel de overwinnaar Roemenië toe. Maar op die honderdduizend vierkante kilometer (de hoeveelheid die van Hongarije aan Roemenië gegeven moest worden) leefden niet alleen 2,8 miljoen Roemenen, maar ook 2,2 miljoen Hongaren, bijna 1 miljoen Duitsers, en enkele kleinere groepen van tienduizenden mensen: Joden, Zigeuners, Serviërs, Roethenen (Oekraïners), Slowaken enz.

Om het aandeel Roemenen te vergroten bestond er vanaf 1920 een bewuste kolonisatie: honderdduizenden Roemenen werden uit Moldavië en Muntenië naar Transsylvanië verplaatst. Dat werd herhaald na de Tweede Wereldoorlog. Toen Ceausescu aan de macht kwam, heeft hij een nog geraffineerdere kolonisatie uitgedacht: de socialistische industrialisatie. Iedere grote stad in Transsylvanië kreeg grote fabrieken, met meerdere duizenden werknemers. Omdat in de omgeving niet genoeg arbeidskrachten waren, haalden ze weer werknemers uit „Oud-Roemenië”, en bouwden ze grote stadswijken met flatgebouwen. (Alleen al in Kolozsvár/Cluj 150 duizend nieuwe flatbewoners binnen 15 jaar!)

Na de omwenteling ontstonden Hongaarse maatschappelijke organisaties, partijen die hun politieke eisen stelden: culturele autonomie (scholen, gebruik van de eigen taal, vrijheid voor civiele en kerkelijke organisaties), lokale economische onafhankelijkheid (van Boekarest), normale en natuurlijke verbindingen met het „moederland” Hongarije, territoriale autonomie waar het aandeel Hongaren boven 50 % is.

Als de vroegere (de al voor 1948 bestaande) civiele en kerkelijke organisaties, wetenschappelijke instituties enz. van de Hongaren hun vermogen (bezittingen) terugkrijgen, bestaat er ook een financiële basis voor deze plannen. Maar de restitutie gaat sinds 20 jaar heel langzaam: van de kerkelijke bezittingen is 60 % nog niet teruggegeven, andere maatschappelijke organisaties staan er nog slechter voor.

Het is daarom geen wonder, dat in de laatste 2-3 jaar de Hongaarse eisen meer publiekelijk, luider en demonstratiever verkondigd zijn. In het afgelopen jaar: een massademonstratie voor de scholen, voor de territoriale autonomie van het Szeklerland, en iedere jaar Hongaarse demonstraties op de nationale (Hongaarse) feestdagen. Meer positief zijn de „Hongaarse cultuurdagen”, die in de grote steden tienduizenden mensen op straat brengen.

Het is ook geen wonder, dat de politieke elite in Roemenië zenuwachtig wordt van deze massale bewegingen: activiteiten van deze soort kennen de andere regio’s in Roemenië niet of alleen in mindere mate.

d) Hongaren en Roemenen, Protestanten en Orthodoxen

Als de Roemeense regering een geheime, stille “oorlog” tegen de Hongaren voert, of de Hongaren een doorn in het oog van Roemeense politieke elite zijn, is dat te begrijpen. Maar als de Roemeense orthodoxe Kerk – en ik onderstreep: niet de orthodoxe mensen, alleen de orthodoxe kerk! – aan deze politieke koers meedoet, dat is onaangenaam en hachelijk.

De Orthodoxe kerk helpt mee om de nationalistische politiek van de regering uit te oefenen.

Onder de directe invloed van het Patriarchaat heeft de regering binnen twee jaar de plaats van het departement van Godsdienstzaken drie keer veranderd. Toen een Hongaarse politicus minister van cultuur was, ressorteerde het departement van Godsdienstzaken onder de  plaatsvervanger van de eerste minister gesteld. Toen diezelfde Hongaar verkozen werd tot plaatsvervanger van de eerste minister, kwam het departement van Godsdienstzaken weer terug onder “cultuur”. En een paar maanden later werd de samenstelling van de regering weer veranderd: een andere Hongaar kwam aan de top van het ministerie van cultuur  – prompt werd hem het departement voor Godsdienstzaken weer ontnomen.  Een Hongaar mag toch niet over de Orthodoxe kerk regeren …

De Roemeense kolonisatie van Zevenburgen gaat verder: een niet openbare landbezetting, met geheime middelen. Het openlijke beeld is: bouwen van Orthodoxe kerken en kloosters. Het bouwen van Orthodoxe kerken in de grote steden kan nog OK zijn, maar vele dozijnen nieuwe kloosters, (met kloosterkerk, gastenhuizen, motels te midden van een 200 hectare bos of grote boerderij) enkele met niet meer dan 10-15 nonnen, gehaald uit Bessarabië of Moldavië, opgericht in Hongaarse gebieden – dat is meer dan vreemd.

Zowel de vroegere patriarch (Teoctist Arapas), als ook de nieuwe patriarch (Daniel Ciobotea) van de Orthodoxe kerk hebben in de afgelopen jaren in hun circulaires verboden om in Orthodoxe kerken tijdens de gebedsweek voor de eenheid van de kerken diensten met Protestantse deelnemers en gastvoorgangers te houden.

– Gezien de Roemeens–Hongaarse of Orthodox–Protestantse verhouding wil ik geen verdere kritische vragen opsommen. Liever een theologisch-historisch voorteken stellen. Etnische en confessionele conflicten behoren tot een pluralistische maatschappij en kunnen tegelijkertijd ook als uitdaging gezien zijn.

De Hongaarse minderheid (en de hervormde kerk) in Transsylvanië bevindt zich op het trefpunt (of scheidslijn?) tussen Oost en West, tussen het Oosterse en Westerse Christendom. Ze verstaat zichzelf als deel van de Westerse cultuur, westerse kerk, maar neemt sinds eeuwen impulsen uit de Orthodoxie op en probeert tegelijkertijd invloed uit te oefenen op het Oosterse denken en gedrag. In de loop der eeuwen ontwikkelde zich in Transsylvanië een cultureel pluralisme, op grond waarvan daar, als eerste plek in Europa (!), in 1568 de godsdienstvrijheid wettelijk bepaald werd. Daaruit ontstaat voor onze kerk de opgave de Christelijke vrijheid met betrekking tot de religieuze tolerantie en met betrekking tot het pluralisme van de culturen relevant te maken. Is ons Gereformeerd Protestantisme een dam tegen de Oosterse, bijna Aziatische tyrannie, tegen nationalistisch eenheidsdenken, of een dam tegen Westers imperialisme, „multicultureel” verval en individualiserend pluralisme? Of zijn wij een brug tussen Oost en West, tussen het oosters familie- en stamdenken, het pluralisme van maatschappelijke groepen, volken of standen enerzijds en het westerse rechts- en waardedenken, het denken vanuit eigen verantwoordelijkheid en particuliere verplichting anderzijds? Een dam tegen de oosterse Herodes en de westerse Pilatus of een brug tussen Johannes en Paulus?

Pluralisme is niet pas met de politieke omwenteling opgekomen. Toen na de Eerste Wereldoorlog Zevenburgen met het Partium en de Banaat bij Roemenië gevoegd werd, ontving Roemenië een land, dat sinds de vroege Middeleeuwen verschillende etnische groepen en meerdere confessies verenigde en traditioneel een „land van verdraagzaamheid” („Land der Duldung” - een uitdrukking uit het volkslied van de Transsylvaanse Saksen) genoemd werd. Deze pre-verlichtingstolerantie was in het leven van de meeste Roemenen, Hongaren, Duitsers en anderen dagelijkse praktijk. En dit tolerantiedenken was ook vijftig jaar na Trianon nog niet verwoest. Toen Ceausescu echter in de jaren zeventig en tachtig 1,5 miljoen mensen uit het oude Roemenië naar Zevenburgen verhuisde, werd daardoor niet alleen het etnische evenwicht verstoord, maar ook de balans tussen Zevenburgse Roemenen (met tolerantie-denken) en Roemenië-Roemenen (met nationale-eenheids-denken) aanzienlijk veranderd. Nu wordt Roemenië sinds de wending door nog een andere soort pluralisme op de proef gesteld. Europese integratie, markteconomie, concurrentiedenken en „Amerikaans” libertinisme is zelfs voor het Zevenburgse pluralisme een grote uitdaging, maar voor de Orthodoxe Roemenen een eis die bijna niet te verdragen is. Het onderscheid tussen beide vormen van pluralisme zie ik daarin, dat een veelvoud van de gemeenschappelijke waarden tegenover een pluralisme van de individuele waarden gesteld wordt.

Toekomst. De toekomst kan niet alleen een politieke oplossing zijn, er kan ook niet met sociologische of statistische berekeningen bepaald worden. Hoop of wanhoop zijn ook een geloofsprobleem. “Een volk dat leeft, bouwt aan zijn toekomst” – dat moeten wij Hongaren van de Nederlanders leren. Deze spreuk staat aan het monument in het midden van de beroemde Afsluitdijk. Vakmensen zeggen, dat het kleinste volk dat als volk nog bestaan kan, tenminste 1,5 miljoen zielen moet tellen. Vandaag staan de Hongaren in Transsylvanië aan de onderste grens van deze situatie. Dus toekomst betekent: bouwen, en bouwen – in de beide zinnen van “bouwen”: fysiek èn spiritueel.

Na de tweede wereldoorlog verzamelden zich de Transsylvaanse Franciscaner-broeders, en moesten vaststellen, dat hun kloosters en eigendommen verwoest waren. Wat moeten ze doen? Het Transsylvaanse districtshoofd van de Franciscanen, Pater Gurzó Anaklét, zei tegen zijn broeders: “Wij moeten aanpakken en beginnen te bouwen. Wee ons, als onze vijanden na 50 jaren niets vinden, wat ze verwoesten kunnen! … “

 

2. Kerk en theologie

a) Historische inleiding

De Hervormde/Gereformeerde kerk in Zevenburgen wordt door een sterke binding met vroegere historische en geloofstradities gekenmerkt. Reformatorisch gedachtegoed wordt in oude structuren bewaard en doorgegeven. De meerderheid van de gelovigen woont in de stad, maar een meerderheid van de kerkelijke gemeenten zijn dorpsgemeenten. Op het platteland is de traditie sterker. Deze gemeenten verwachten in de zondagse eredienst een Bijbelgetrouwe prediking, troost en vermaning voor het dagelijks leven. Ze richten hun leven naar de ethische normen van de Bijbel (Tien Geboden). De kleine, in zichzelf gesloten gemeenschap is transparant, voor iedereen bereikbaar en oefent een morele controle uit over het dagelijks leven. Maar ook in de stedelijke gemeenten zijn de meeste leden mensen die in de afgelopen dertig jaar van het platteland naar de stad verhuisd zijn; de kerkelijke traditie begeleidt hen ook enigermate in de stad.

Traditie betekent echter niet alleen verouderde structuren en conservatisme. Traditie draagt ook de kans in zich, dat daardoor de Christelijke (confessionele) identiteit bewaard wordt. Ja, nog meer: traditie betekent niet alleen doorgeven van een erfstuk (de geestelijke erfenis inbegrepen) aan de nakomelingen, niet alleen het doorgeven van de inzichten van de Meester aan de discipelen, maar ook een uitgeleverd worden aan God en de naaste. Dat is de bedoeling van traditie in de Bijbel. Op deze manier verstaat men in de plattelandswereld de traditie niet als iets stars, iets structureel aan de wereld bindends, maar als binding aan en het aangewezen worden op God. Is dat niet de oorspronkelijke houding van het zwervende Godsvolk geweest? Geen wonder dat in de Reformatietijd (onder het Turkse juk) in de prediking een Bijbelse geschiedenisopvatting overal overheerste: oorlog, bedreiging door vijanden, ziekten, gemeenschappelijke maar ook persoonlijke ellende zijn straffen van God vanwege onze zonde. Toen aan het eind van de zeventiende eeuw, de Habsburgse dubbele adelaar de Turkse halve maan afloste, heeft deze Bijbelse geschiedenisbeschouwing tot aan het midden van de negentiende eeuw voortgeduurd.

De Protestants-Gereformeerde traditie stempelde dus driehonderd jaar lang de volksvroomheid.

De door de traditie bewaarde kerk bewaarde haar traditie zo zeer dat, hoewel Verlichting en liberalisme ook hun intrede deden, de Transsylvaanse kerk toch een orthodoxe bleef. Toen aan het eind van de negentiende eeuw de orthodoxie begon te wankelen, wendde onze kerk zich langzamerhand óf tot een positief Biblicisme, óf tot de calvinistische traditie. Na de Eerste Wereldoorlog kreeg echter de Protestants-Gereformeerde theologie (Karl Barth) weer de overhand.

Sorry, voor dit lange historische overzicht, maar ik probeer aan te duiden, waarin onze kerk na de imperiumwissel 1920 een echt Christelijke opdracht zag. En het is onze kerk enigermate gelukt tegen deze opgave opgewassen te zijn. Dankzij de bindende traditie.

(Ik denk, dat dit het historische bewustzijn is, waarvan ook Dr. Gudor vertelde, toen Tine Dam en Fred Stellingwerf afgelopen jaar een tocht door Transsylvanië maakten. Dr. Gudor – die ook historicus is – merkte op dat, als een Nederlandse gemeente een contact wil beginnen met een Hongaarse gemeente, het goed is om te benadrukken vanuit welk verleden de Midden-Europese gemeenten moeten starten. Dat is een totaal ander verleden dan dat van Nederlandse gemeenten. Het kennen en verwerken van de eigen geschiedenis is belangrijk, en kan voor beide groepen heel leerzaam zijn.)

 

b) Bisschopsverkiezing 2012

“Bisschopsverkiezing” is alleen een sleutelwoord: ik probeer te aanduiden, dat ik over de nieuwste ontwikkelingen in onze kerk ga vertellen. De situatie vandaag kan gekenmerkt worden met een spreuk uit  Richteren 21: „Iedereen doet wat goed is in zijn eigen ogen”.

Het schijnt als of de hervormde kerk een dubbele leven leeft: aan de basis, in de kerkgemeenten en een andere leven aan de top, in de leidingsstructuren.

In de gemeenten en uit de gemeenten hoor je het goede nieuws: sociaal gevoel en sociale inrichtingen groeien; verschillende acties en actiegroepen zijn bezig met kinderen en jeugdgroepen. Heel populair zijn de bijbelweken in de zomervakantie. In de twee kerkdistricten (provincies) doen aan deze bijbelweken tienduizenden kinderen (en hun ouders!) mee. De idee van de bijbelweek is uit Nederland “gehuurd” maar het programma voor deze enorme kinderbeweging word door een privéstichting in Transsylvanië

 uitgewerkt. (Typisch Hongaars en typisch hervormd: vrijwilligers en niet de daartoe gekozen kerkelijke ambtenaren doen het werk!). In tal van gemeenten worden kerkelijke scholen en kleuterscholen opgericht. Ouders, kerkleden, ouderlingen hebben weer ontdekt: opleiding en opvoeding is wel een opdracht van de staat/maatschappij, maar functioneert beter met kerkelijke bijstand. Vaak heeft de gereformeerde school een “politieke” functie: als de kerk geen basisschool of kleuterschool opricht, moeten de Hongaarse kinderen Roemeenstalige scholen bezoeken.

Om missionaire functies in de gemeente uit te oefenen, hebben vele kerkgemeenten niet alleen geestelijk gebouwd, mar ook in de werkelijkheid: gebedszalen, gemeenschapsruimten enz. voor verschillende kerkelijke activiteiten.

– Aan de top en in de officiële structuren zitten lieve mensen. Toch heeft meestal de structuur zelf een stijf, wettische en bureaucratisch gezicht. Alsof daar niet dienaren van het Woord maar ambtenaren zitten en werken in de managementstructuren … Bisschopsverkiezing (en de verkiezingen in de verschillende gremia) zijn al vier maanden afgelopen, een lieve, ook in het buitenland bekende predikant is bisschop, de nieuwe vergaderingen zijn gekozen, dus wij spreken niet meer daarover.

Maar vóór de verkiezingen waren enkele vragen gesteld, die ook met de verkiezingen niet een geruststellend antwoord kregen.

1. Meer openheid

– in discussies over maatschappelijke relevantie der kerk

– over vragen van de kerkelijke diensten

– van beslissingen van meerdere vergaderingen

– bij kandidaat-stellen bij verkiezingen

– in de hele afloop van kerkelijke verkiezingen

– in kerkelijke disciplinaire processen

2. Verandering van passages uit de communistische tijd in de kerkorde (t.b. Verkiezingen)

3. Helderheid en meer solidariteit aan het terrein der kerkfinanciën

4. Opheffen van hiërarchisch gedrag, en kerkelijke luxe-uitgaven

Dat deze vragen en eisen van jongere predikanten en ouderlingen gesteld zijn – vooral binnen de predikantenvereniging en de presbyteriale vereniging – is een goede verandering in de laatste tijd.

Het beeld van de dominee was in de laatste tijd iets verdraaid. Niet alleen omdat de predikant in de gemeente een centrale rol heeft en een kleine tyran kan worden of een “Maedchen für Alles”. In de jaren 90 heeft de kerkleiding de theologische universiteit gedwongen aan de lopende band predikanten te produceren. Nu hebben wij genoeg – of meer dan genoeg – predikanten. Maar de gemeenten hebben ook genoeg van typische predikanten-zonden, zoals concurrentiedenken.

Daarom schijnt de openlijke, positieve kerkkritiek der jongere predikanten in het jaar van de verkiezingen een positief teken te zijn. Deze kritiek heeft geen doorbraak gebracht – niet hun kandidaat was gekozen – maar de jonge generatie is verdraagzam, ze kan haar tijd afwachten.

c) Heidelbergse-Catechismus-Jubileum 2013

Het is een doorbraak: een geestelijk, theologisch thema krijgt algemeen toepassing. De hele wereld gaat in onze kerk Heidelbergse Catechismus vieren.

– Nieuwe Hongaarse vertaling – in juni 2013 word deze versie in plaats van de 5 verschillende vertalingen officieel geïntroduceerd.

– Wetenschappelijke Catechismusconferenties in alle Hongaarse Hervormde kerkdistricten.

– Regionale bijeenkomsten van ouderlingen een gemeenteleden voor de studie van de HC. Eind van deze maand organiseert een groot hervormd decanaat (classis) een conferentie voor ouderlingen met het thema: Het begrip van het geloof in de Heidelbergse Catechismus.

– Lokale gemeenten organiseren Catechismusdagen, soms ook Catechismusweken. (Begin februari mochten wij, mijn vrouw en ik, als gewone gemeenteleden met circa 70 andere mensen deelnemen aan de gemeenschappelijke catechismusweek van de hervormde centrale gemeente Budapest en de centrale gemeente Kolozsvár.)

– In de zomer zal een wedstrijd lopen in drie fasen (lokal, regionaal een nationaal) voor kinderen en jongeren (in drie leeftijdsgroepen). De drie eerste winaars mogen naar de Verenigde Staten reizen om daar Hongaars-Hervormde gemeenten te bezoeken.

– Voorts: Het schijnt opnieuw een werkelijkheid te worden, wat professor Lekkerkerker over het gebruik der Heidelbergse Catechismus in de 17-de eeuw verteld heeft. Hij schreef over een illustratie in een oude Bijbeluitgave: Adam, Eva en hun twee kinderen zitten samen voor het dagelijkse gebed. Adam – zoals dat in de 17-de eeuw gewoon was – geeft onderwijs aan zijn gezin. Bij de illustratie is ook de titel van het Gebedsboek te lezen: Heidelbergsche Catechismus …

 

3. Partner- en gemeentecontacten

Zeker enige honderden Nederlandse kerkgemeenten en burgerlijke gemeenten hebben in de afgelopen 24 jaren partnerschappen gesloten in Transsylvanië. De meeste van deze contacten zijn al gestopt, maar 20-30 % functioneren nog.

De vraag is, in welke richting de nog bestaande actieve groepen zich oriënteren?

Tine Dam (verslag Roemeniëreis 2012):

Negatief:

Hulpverlening met goederen in de vroegere zin des woords moet niet meer worden nagestreefd.

– Wensen over de inhoud van gemeentecontacten lopen niet parallel tussen de gemeenten in Roemenië en de werkgroepen in Nederland. Slechts zelden komt er een aanvraag voor een gemeentecontact binnen vanuit Roemenië

– Eenrichtingverkeer

– Wie betaalt, die bepaalt

Positief:

Prioriteit moet liggen bij het inhoudelijk gemeente-zijn.

– Persoonlijk contact is het allerbelangrijkste. Dus niet op projectbasis.

– Het bij elkaar brengen van jongerengroepen hier en daar. De moderne media kunnen hierbij een grote rol spelen

Over en weer bezoeken

 

Foka van de Beek vraagt jonge mensen in Kolozsvár:

Van de Nederlandse kerken kunnen we leren:

jeugdwerk, binnenlandse zending,

palliatieve zorg

de manier waarop men met terminaal zieken, met dood, met overledenen omgaat

samen iets doen voor anderen, bijvoorbeeld voor Afrika.

 

Nederlanders kunnen van ons leren:

oecumenische gebedsweek,

boeteweek vóór een Avondmaalsviering,

gastvrijheid.

Het allerbelangrijkste is het persoonlijk contact, bijvoorbeeld jeugdverenigingen.

1. Ik onderstreep uit beide lijsten: het persoonlijk contact.

Maar welk doel heeft voor Hongaren en Roemenen het persoonlijk contact? M. i. is het belangrijk dat Midden-Europese mensen het soevereine, angstvrije gedrag der Nederlanders zien en navolgen. Dat is in de kerk aan Nederlandse ouderlingen te merken, die in vergelijking met Hongaarse kerkleden en ouderlingen meer bewust, meer zelfstandig spreken, hun positie en ideeën voordragen en prompt handelen. Onze ouderlingen verwachten alles van de dominee. Dus door persoonlijke contacten helpt het Nederlandse voorbeeld:

Vrijheid van angst in plaats van angst en verborgenheid

Vertrouwen in plaats van wantrouwen en onzekerheid

Soliditeit en zekerheid in kerkelijke en maatschappelijke orde, werken, plannen enz.

2. Wie heeft nog directe of indirecte hulp nodig?

Niet kindertehuizen – die zijn helemaal anders dan 20 jaar geleden.

Niet straatkinderen en dakloze mensen – daar is grote fluctuatie, een diaconaal werken eindeloos.

Gehandicapte mensen vragen altijd naar zorg, maar op dit terrein heeft de staat (via EU) meer middelen.

Bejaardenhuizen zijn ook gevraagd, maar alleen weinig mensen kunnen betalen.

Maar oude mensen buiten de bejaardenhuizen zijn een echt probleem.

Hen helpen, voor hen zorg dragen kan alleen de kerkelijke gemeente.

De centrale diaconie kan (en moet voorlopig) de dure bejaardenhuizen en handicapteninrichtingen opstellen, maar die inrichtingen ondersteunen is niet opdracht der partnercontacten, die niet zo zeer landelijk, maar plaatselijk werken.

 

3. De kerkelijke vrouwengroepen

De hervormde kerk in Transsylvanië maakt weinig gebruik van vrijwilligers. Misschien in het jeugdwerk, maar alleen voor acties, die de jeugd zelf lanceert en onderhoudt.

Er zijn de – zelf oude, maar nog „bruikbare” dames – die in de vrouwengroepen meedoen: ziekenbezoek, ouderenzorg, werken van liefdadigheid en heel verschillende acties.

Hun arbeid steunen, met Nederlandse vergelijkbare groepen uitwisseling bevorderen heeft zin.